De tuinen

Door de welvaart in de 17e eeuw, voornamelijk door de V.O.C. ontstaan, werden vele buitenhuizen gebouwd in de provincie Utrecht. Veel van deze huizen en hun tuinen werden in de barokstijl gebouwd en aangelegd. De barok kenmerkt zich door de symmetrie en rechtlijnige vakwerken, waarbinnen allerlei krulwerk werd toegepast. Het kasteel is als landhuis gebouwd in 1640 op de door een gracht omgeven fundering van het oude kasteel Rijnhuizen. Op het landgoed Rijnhuizen is de symmetrie duidelijk te zien bij het kasteel en koetshuizen. De slotgracht was voorheen rechthoekig en de watergangen strak van lijn.

Toen de welvaart afnam bleek de arbeidsintensieve barokstijl voor menig eigenaar niet meer betaalbaar, waardoor er verval optrad. Vooral bouwkundige elementen, zoals beelden, stenen fonteinen, houten ornamenten en tuinmuren vervallen snel als het onderhoud achterwege blijft. Bomen daarentegen worden alleen maar mooier naarmate ze ouder zijn.

Vanuit Engeland ontdekte men dat de landschapstijl veel natuurlijker en rustgevender was en bovendien minder arbeidsintensief. Bij het veranderen van de barok in landschapstijl werd zoveel mogelijk met bestaande bomen rekening gehouden. Een voorbeeld in de hoofd-tuin van Rijnhuizen is dat midden op het gazon een oude moeras-cypres staat. Deze is waarschijnlijk in de baroktijd geplant, toen op deze plaats een stenen vijver lag.

Sinds het F.O.M. instituut eigenaar is van het landgoed zijn er nogal wat veranderingen aangebracht. Op de plaats waar vroeger de moes- en fruittuin lag, is in 1966 een coniferencollectie en een vijver aangelegd. De grond is verwerkt in een heuvel. De coniferen bestaan voornamelijk uit Redwood’s, zomercypressen, mammoet-bomen, levensbomen, ceders, dennen, sparren en slangedennen die deels op deze heuvel staan.

Het zitje is gemaakt binnen de restanten van een oude druivenkas.
Het bosgedeelte was vroeger een geriefbos. Dat betekent dat het hout regelmatig werd gekapt voor eigen gebruik, voornamelijk brandhout. Nadat kolen, olie en gas hun intrede deden was het hout niet meer nodig en groeiden de hakhoutstobben tot een dicht woud met veel te veel stammen. Door elk jaar geleidelijk te dunnen is nu een goed ontwikkeld bos ontstaan.

Er zijn twee vaste plantenborders aangelegd. Op verschillende plaatsen bloeien zomers de hortensia’s, maar ook in de winter zijn er verschillende bloeiende heesters te bewonderen, zoals tover-hazelaar, winterkers en winterkamperfoelie.
De loofgang met lei-linden en buxushagen die loopt van het binnenplein naar de hoofdtuin is enige jaren geleden in barokstijl aangelegd, evenals de buxussleutel aan de westzijde van het kasteel.

Recent is de vernieuwing tussen de koetshuizen en de eikenlaan. De oude paardekastanjes waren aan hun einde. Het nieuwe ontwerp, uitgevoerd in de winter van 2001/2002, past veel beter bij het geheel. De nieuwe laan is beplant met mos-eik, ook wel Turkse eik genoemd.

In het voorjaar zijn de gazons gekleurd door duizenden bol- en knolgewassen. De belangrijkste zijn sneeuwklokjes, krokussen, voorjaarshelmbloem, bosanemoon en bostulp. Zij worden tot de stinzeplanten gerekend. Stinzeplanten zijn planten die niet van nature voorkomen in Nederland, maar vaak als verwilderde planten op landgoederen te vinden zijn. Ook in het bosgedeelte zijn enkele uit deze groep aanwezig. Met het beheer wordt veel aandacht aan deze plantengroep besteed.